Luisteren naar polyfonie


Polyfonisten waren de sterren van de late Middeleeuwen en de Renaissance, samen met de grote kathedralenbouwers en de schilders. Ze reisden Europa rond om aan de hoven van Rome, Firenze, Bourgondië en tal van andere machtscentra te dienen. Vandaag lijken vooral die laatste twee kunstvormen nog op belangstelling te kunnen rekenen.

Mensen die zichzelf kunst- of muziekliefhebber noemen, hebben vaak nog geen noot van Machaut, Desprez of Ockeghem gehoord. Hoe komt dat? Waarom is renaissancemuziek in de vergeethoek geraakt, in tegenstelling tot bijvoorbeeld muziek uit de 17e eeuw (Barok) en later?

Renaissancemuziek, en polyfonie in het bijzonder, is abstracter dan latere, representatieve muziek zoals die van Monteverdi of Mozart (vergelijk het met een Rothko tegenover een Rembrandt), waardoor de luisteraar zich meer moet inspannen om ze te begrijpen. Maar wie de tijd neemt voor polyfonie, wordt vaak nog even diep geraakt als luisteraars eeuwen geleden: die rauwe, maar knap verhulde esthetische kracht is bij weinig andere kunstvormen uit dezelfde periode nog te vinden — wie weent er tegenwoordig nog bij de kruisafneming van Van der Weyden? Daarom is polyfonie, hoe contra-intuïtief dat ook klinkt, tijdloos, zelfs ‘modern’.

Daarbij komt dat muziek een kunstvorm in de tijd is: ontdekken of herbeluisteren kost meer tijd dan bijvoorbeeld het bekijken van een schilderij of een gebouw. Het volledige oeuvre van Caravaggio bestuderen vraagt relatief weinig inspanning, terwijl het een half mensenleven kan duren voor een handvol cyclische missen goed bezinken, en door het abstracte karakter van polyfonie is daarvoor vaak nog meer tijd en inspanning nodig dan voor andere muziekgenres.

Polyfonie was — en is — bovendien een elitaire kunst, wat de drempel voor veel mensen verhoogt. Andere kunstvormen zijn democratischer: schilderijen hangen in musea, kathedralen staan in de stad, en op nationale radiozenders klinkt vooral muziek vanaf de barok. Veel mensen werden in hun kinderjaren — en soms nog vandaag — bovendien “gepijnigd” met kerkmuziek van bedroevende kwaliteit, waardoor na een paar tonen (degelijke) polyfonie de associatie met ‘kerkmuziek’ vaak al genoeg is om elke verdere luisterinspanning in de kiem te smoren. Ten slotte werkt de haast automatische link met religie voor veel mensen al op zich afschrikwekkend, terwijl er toch ook veel profane polyfonie bestaat. Bovendien hoef je helemaal niet gelovig te zijn om ten volle van een cyclische mis te genieten — net zomin als van een cantate van Bach, trouwens.

Het zijn stuk voor stuk drempels die met weinig moeite te slechten zijn: wat abstractie, wat tijd, wat openheid voor iets ouds en elitairs, en een blik voorbij de kerkmuziek van weleer. Wie die drempel over is, ontdekt een kunstvorm die net zo veel recht heeft op onze aandacht als de kathedralen en schilderijen uit dezelfde tijd — en die, eenmaal ontdekt, blijft terugkomen.