Reisverslag Nepal


Verslag van mijn groepsreis naar Nepal met Wonderways uit Gent, dag per dag bewerkt uit de audioberichten die ik onderweg insprak.

 

Zondag, 10 november

Mijn eerste dag zit erop en ik zit in de hotelkamer in Kathmandu. De reis was zwaar: zes uur vliegen, een paar uur wachten in Doha, nog eens vier uur naar Kathmandu. De klok moest voortdurend verzet worden en elk tijdsbesef is weg. Bij aankomst eerst het visum regelen, wat een tijdje duurde, en dan met een busje naar het hotel.

Het verkeer in Kathmandu is crazy. Miljoenen brommers door elkaar, bundels elektriciteitsdraden die over de straten gespannen hangen — één groot nest. Zoals ik het op foto’s had gezien, maar dan in het echt: veel volk, veel vuil, en overal honden. Opvallend genoeg zien die honden er gezond uit; ze liggen gewoon te slapen op straat en worden blijkbaar verzorgd door organisaties.

We lieten onze bagage achter en wandelden twintig minuutjes door de stad naar de koffiebar van een van de tourbegeleiders, waar we uitleg kregen over de bergen. Daarna trokken we naar Swayambhunath, de “Monkey Temple”: een heuvel midden in de stad met een gouden tempel, gebedsvlagjes en alle clichés die erbij horen. Het zit er vol apen, twee-, driehonderd kleine aapjes à la Gibraltar, die keet schoppen tussen de toeristenshops. Honden en apen negeren elkaar volkomen. Vanop de heuvel heb je 360 graden zicht over de stad, en die is gigantisch: een wirwar van oude, aftandse gebouwtjes. Wat een chaos. Maar de mensen zijn zeer vriendelijk en je voelt je nergens bedreigd.

’s Avonds — het is hier om zes uur al donker — hebben we heel lekker gegeten. Ik neem altijd vegetarisch, net als Tom, onze reisleider. Een groot bord rijst met curry, pikante dingetjes en dingen die ik nog nooit gezien had. Allemaal fris en lekker.

De groep lijkt me een fijne bende. Morgen een lange rit met de jeep. Moe van de reis, maar content.

Kathmandu, Monkey Mountain

Maandag, 11 november

Ontbijt op het dak van het hotel: yoghurt met muesli. Daarna bezochten we een van de bekendste tempels van de stad, de grote stoepa van Boudhanath, waar je rond kunt lopen tussen winkeltjes, zingende mensen, kaarsjes en toeristen. Een heel andere sfeer. Maar ook hier plastiek, armoede en vuil. We wisselden geld, kochten een simkaartje en stapten in de jeeps.

Normaal is het vier uur rijden naar Manthali, maar door de overstromingen van dit voorjaar ligt de weg grotendeels kapot en werd het zeven uur. Met zeven in een volle jeep, schudden, botsen, krap tegen elkaar. Een helse rit. Ik heb op een of andere manier toch wat kunnen slapen. We reden door een vallei met een brede rivier, en overal: mensen, armoede, plastiek, kapotte weg, toeterende bussen. Een belevenis, dat wel, maar plezant is anders. Reizen is werken, en vandaag zeker.

We slapen in glampingtenten in het Freedom Hotel, vlak bij het vliegveldje: een verzorgde oase in de troep. Opnieuw heel lekker gegeten; ik ben echt zot van het eten hier. Voorlopig geen darmklachten.

Wat me wel zorgen baart: mijn rechterenkel doet veel pijn. Ik neem ibuprofen en hoop dat het niet erger wordt. Morgen om vier uur op voor het vliegtuigje naar Lukla.

Dinsdag, 12 november

Om vier uur op, te voet naar het vliegveldje, en dan wachten tot negen uur tot de wolken optrokken. Dan eindelijk het vliegtuigje in: klein, veel lawaai, starten met een rotvaart. De vlucht duurt maar een kwartier en we zaten in de wolken, maar spectaculair was het wel. In Lukla landde je op een piepklein vliegveld. Een soepje, de vergunning halen aan een loketje van de overheid, en dan door het poortje: de trek begint.

Achter dat poortje opent zich een lange vallei. Een aaneenschakeling van gekleurde lodges en guesthouses, bosjes, kapelletjes, boeddhabeeldjes, vlagjes, paarden, koeien en honden, met wat landbouw ertussen. Beneden de brede Dudh Kosi met bruin gletsjerwater en af en toe een metalen hangbrug, stevig genoeg voor paarden. Het pad is breed en aangelegd met trappen. Veel toeristen, veel Duitsers — maar geen vuil. Geen papiertje, geen plastic zak. Een verademing na Kathmandu.

Toen het begon te schemeren kwamen we aan in de lodge in Monjo. We zijn er zowat de enige groep en ik heb een kamer voor mij alleen. Ik bestelde dal bhat, de rijstschotel met linzen en groenten, en at die voor het eerst op z’n Nepalees: met de rechterhand alles mengen en dan met de duim in de mond schuiven. Gids Rakesh deed het voor en nodigde me uit, tot grote hilariteit van de groep. Maar het ging goed, en je eet veel sneller dan met mes en vork. Ik ben fan. Dessertjes zijn er niet, dus mijn suikerverslaving gaat eraan moeten geloven. Geen slechte zaak.

Het weer ziet er bewolkt uit voor de komende week, maar volgens mijn apps geldt dat vooral voor de vallei. Hoger zouden we erboven moeten zitten. We zullen zien.

Lukla’s Airport is often listed among the world’s most dangerous or challenging for a pilot. The runway is just 20m wide and 527m in length with a steep dropoff at the end.

De sherpa’s die onze bagage dragen tijdens de Three Passes Trek.

Woensdag, 13 november

Havermoutpap met appel en koffie, alleen in de eetzaal. De dragers stelden zich voor: hun namen, onze namen, en niemand kon die van de ander uitspreken. Hilariteit.

Prachtig weer, open hemel. Van de ene hangbrug naar de andere, vlagjes overal, en bij Monjo de poort van het Sagarmatha Nationaal Park. Paarden beladen met gasflessen en dragers met werkmateriaal: deuren, gipsplaten, één liep er met honderd kilo. We passeerden de bekende hoge hangbrug uit de Everest-film — je kunt er tegenwoordig bungeejumpen. Daarna klimmen naar Namche Bazar, een echt stadje op een kruispunt van valleien, met een typische bouwstijl en een tempeltje in het midden.

In de Panorama Lodge kregen we een verfrissend doekje, en aan tafel wees de waard ons op een man die de Everest al elf keer had beklommen. Zijn boek lag er ook. Dat is hier blijkbaar de realiteit van die bergsterren.

Middageten: veggie momo’s, dumplings met groenten en pikante saus. Heerlijk. Tom en ik nemen altijd zo’n beetje hetzelfde. Vlees kun je hier trouwens beter vermijden.

In de voormiddag is de hemel altijd open, in de namiddag trekt alles dicht. We konden de Everest al even zien, heel ver weg, en hier en daar een glimp van de reuzen links en rechts.

Mijn enkel speelt wat op. Morgen blijven we hier voor een acclimatisatiedag; voor mij niet echt nodig, maar met die voet vind ik het niet erg.

100kg!

Een sherpa draagt bouwmaterialen naar Namche Bazar via een van de vele spectaculaire hangbruggen.

Donderdag, 14 november

Een fantastische dag. Mijn enkel hield zich goed en ik kon voorzichtig mee op de acclimatisatiewandeling. Boven Namche, richting het Everest View Hotel, ligt een uitzichtpunt op twee valleien — ook die waarlangs we straks terugkomen. De Ama Dablam, die een beetje op de Matterhorn lijkt, is echt indrukwekkend. Verderop zagen we ook de Everest, de Lhotse en al die andere reuzen. Veel zon, heldere lucht.

Het landschap is droog, met dennenbossen en rododendrons. Het doet denken aan Spanje in de winter. Boven de boomgrens liepen we een tijdje over een kam, met zicht rondom rond. Ongelooflijk veel foto’s genomen.

De eigenaar van de lodge begeleidde ons het eerste stuk en nam ons mee naar een klooster in de buurt. Ze zijn hier heel trots op hun erfgoed, op de lama’s en de reïncarnaties, en het geloof leeft nog echt. Hij vertelde over een jaarlijks feest waarbij de mannen van de 116 families van het dorp met een vlag naar boven trekken en daarna beneden gaan feesten. Boeiend om naar te luisteren.

In het dorp kocht ik twee panorama’s van de bergen voor mijn huis in Spanje, en gebedsvlagjes. In een winkel zag ik een prachtig schilderij van een boeddhistische cirkel, een meter op een meter, voor 200 euro. Ik twijfel. Een beetje zoals Spaanse wijn in Spanje: opletten. We komen hier op de terugweg langs; als het dan nog in mijn hoofd zit, koop ik het misschien.

Namche begint me te bekoren. Het ligt in een kom en heeft een heel aparte sfeer. Sommige mensen komen hier alleen om hier te zijn, zonder de grote tochten — zoals een oude, blijkbaar beroemde dokter die de eigenaar vanavond hartelijk verwelkomde. Het is nog geen week dat ik weg ben, maar voor het eerst voel ik echt dat ik op reis ben. In de lodge zitten ze te kaarten, te lezen en foto’s te bekijken. Ik bestel dal bhat, natuurlijk. Ze verkopen hier zelfs T-shirts met Dal Bhat Power 24 Hour.

Thamserku, 6623m

Tom en Stijn dalen terug af naar Namche Bazar na een acclimatisatiewandeling tot 4000m. Op de achtergrond de duizelingwekkende flanken van de Thamserku (6623m).

De imposante Ama Dablam, de ‘Matterhorn van de Himalaya’.

De proporties hier lijken soms niet te kloppen.

Vrijdag, 15 november

Amai, wat een dag. De beste van de reis tot nu toe.

In Namche was er ‘s ochtends een lokale markt, waar Tom sinaasappels voor ons allemaal kocht. Dan door de bossen richting Thamo: veel zon, vogeltjes, zelfs een fazantenwijfje. In het klooster van Thamo was een dienst bezig, een tiental monniken, van jonge kinderen tot heel oude mannen, aan het zingen. We zijn even stilletjes binnen gaan luisteren. Buiten maakte de leermeester van de monniken een praatje met ons. Onder het klooster ligt een restaurantje met een ongelofelijk zicht; we bleven er lang op het terras zitten, zoals tijdens een skivakantie.

Verder, boven de boomgrens, met de hele tijd prachtige vergezichten achter ons. Voor een hangbrug liet Rakesh ons wachten terwijl een kudde jaks overstak — spectaculair. Daarvoor hadden we al grote, gemsachtige beesten met lang haar gezien, Himalaya-tahrs, die zelfs Rakesh zelden van zo dichtbij had gezien.

Na die brug klommen we naar een kam met zicht op Thame, gebouwd op een morene. Daar, bovenaan, werd het me even te veel. Al die schoonheid, de vergezichten, de zon, dat moment — ik werd echt emotioneel. Overweldigd. Ik heb meteen wat foto’s naar het thuisfront gestuurd.

In Thame liepen we naar het klooster uit de zeventiende eeuw, langs eindeloze rijen gestapelde gebedsstenen, beschilderde rotsen en oude jeneverbesstruiken. Net voor het klooster zagen we twee monals, de blauwe fazant en nationale vogel van Nepal. Ik kon er een filmpje van maken. Binnen hangt het vol tapijten, doeken en belletjes, maar vooral de beschilderde gebouwen tegen die kale bergen en de sneeuw zijn prachtig voor foto’s.

Terug in de lodge hoorde ik rumoer buiten: iedereen stond de bergen te fotograferen, helemaal oranje in de ondergaande zon. Weer dertig foto’s erbij. Ik heb er vandaag een stuk of driehonderd.

Ik had nooit gedacht dat de cultuur, de huizen en het leven hier me zouden interesseren. Maar het hoort echt bij het landschap. In de Alpen of de Pyreneeën passeer je een dorpje en dat is het. Hier leven de mensen echt, ze overleven hier. Ze genieten van de toeristen, maar het is allemaal authentiek. Vroeger probeerde ik huisjes uit mijn foto’s te houden; nu zet ik ze er bewust in, omdat ze erbij horen.

Terwijl ik dit insprak, kwam de maan op boven de bergen. Oh my god, wat is het hier mooi.

Zaterdag, 16 november

Een eenvoudige wandeling van Thame naar Lungden, noordwaarts langs een rivier die blauwer werd naarmate we stegen. Een breed pad, de zon in de rug, open landschap met hier en daar een witte top, maar geen spectaculaire vergezichten. Het leek op de Alpen in de herfst: alles verdord, rode besjes, verdroogde bloemen. Een jak die ik wilde fotograferen, viel me een beetje aan.

Bij een theestop kwam een schattig klein meisje op het terras; haar moeder bediende ons, eerst met het kind op de rug. Onderweg — voor de zoveelste keer — dal bhat.

Na aankomst in een gezellige lodge maakten we nog een korte acclimatisatiewandeling, een stuk van het pad van morgen, tot zo’n 4.600 meter. De zon ging onder en het werd meteen veel kouder.

Technisch is deze trek helemaal niet moeilijk. Het tempo ligt laag, je draagt geen bagage en de paden zijn breed, stoffig en kapotgelopen — geen single tracks zoals in de Alpen of de Pyreneeën. In feite zou je het op basketschoenen kunnen doen. Tom trekt bewust laat in het seizoen om de drukte te vermijden. Het is hier toeristisch zoals de bekende routes in de Pyreneeën, maar zeker geen autostrade.

Morgen om vier uur op, om vijf uur vertrek in het donker met de hoofdlamp: de zwaarste dag van de tocht, over de pas naar Gokyo. Ik hoop op mooi weer. Ben benieuwd of ik betere foto’s kan maken dan de panorama’s die ik kocht.

Zondag, 17 november

Twintig voor vijf vertrokken we in het donker richting de Renjo La. Het was volle maan, dus de bergen waren mooi verlicht, en langzaam kwam de zon op. Niet koud, geen wind. Het pad steeg flink, langs een verdroogd meertje en hellingen vol bruin herfstgras zoals in de Pyreneeën.

Aan het grote meer onder de pas lunchten we. Dan de echte klim, uitgehouwen en verstevigd met trappen, richting 5.400 meter. Technisch niet moeilijk, maar veel mensen stonden te puffen. In het begin bleef ik bij de groep, daarna ben ik op mijn eigen tempo vooruit gegaan. Dat ging goed, al voel je dat je geen spurtjes moet trekken.

Boven stond veel volk in de zon, tussen de vlaggetjes. En dan dat zicht: de Everest, de vallei van Gokyo, het meer met de lodges aan de oever. Machtig. Ongelooflijk.

De afdaling was in het begin steil, met hier en daar ijs, en daarna lang en natuurlijk, zonder trappen. Met de hele tijd zicht op het meer en op Gokyo, een klein, pittoresk dorpje aan de oever van een groot meer, met de Everest op de achtergrond. Zeer fotogeniek. Ik liep een stuk mee met Rakesh, die vooruit ging om kamers te reserveren, maar bleef uiteindelijk achter om foto’s te nemen.

Bij aankomst kreeg ik een klop: hoofdpijn, een rood hoofd, uitgeput. Van half vijf ‘s ochtends tot half vijf ‘s middags onderweg, en de hoogte doet de rest. Een beetje zonneslag, denk ik. De meesten hadden vandaag een klopje.

’s Avonds stond ik buiten in de kou en zag ik lichtjes afdalen van de berg naast het dorp: mensen die de zonsondergang waren gaan bekijken. Witte jaks voor de lodge. Vanuit het restaurant heb je een van de beste panorama’s die ik ooit gezien heb, op het meer en de Cho Oyu. Vannacht wordt het waarschijnlijk min vijftien.

Een van mijn beste bergdagen ooit. Een dag om nooit te vergeten.

De volle maan verlicht ons pad naar de Renjo La bergpas.

Een onvergetelijke (berg)dag: op en over de Renjo La pas op 5500m. Prachtige vergezichten op de Everest, Lhotse etc.

Everest vanaf de Renjo La pas. Het gehucht Gokyo ligt aan de oever van dat gletsjermeer.

Gokyo: een handvol lodges aan een gelijknamig meer op 4500m hoogte. Uitvalsbasis voor een aantal uitdagende tochten.

Maandag, 18 november

Zogezegd een rustdag, maar het was weer geweldig. We wandelden van Gokyo naar de meren verderop, richting de Chinese grens, met de Cho Oyu constant in zicht. Zonnig en warm. Aan het eerste meertje — typisch diepblauw tegen witte bergen, knallers rondom — keerden veel mensen terug.

Met Tom, Stijn, Bart en Rakesh ging ik verder. Bart en ik liepen voorop en namen niet het pad naar het volgende meer, maar gingen rechts richting de gletsjer. En daar, amai: het zicht op de enorme Ngozumpa-gletsjer van de Cho Oyu, met de Everest op de achtergrond. Subliem. Toen de rest aansloot, daalden we af naar het meertje en keerden terug langs de morenen, met een hevige wind die het stof opjoeg. Ik heb er filmpjes van gemaakt.

Ik voel me vanavond sterk en goed, na de klop van gisteren. Morgen om vijf uur op, zonder ontbijt de Gokyo Ri op voor de zonsopgang: Tom, Bart en ik. Vijfhonderd meter op en af.

Wat een pracht hier. Wat een onvoorstelbare grootte en kleurenpracht. Ik ben er echt zot van.

Dag 9: heen en terug naar de meren aan de voet van de Cho Oyu. Vertical shots.

Sfeerbeelden van Gokyo

De achtduizender Cho Oyu in avondlicht.

Dinsdag, 19 november

Om drie uur al wakker, om vier uur op en in het donker vertrokken met Tom, Bart en Lucky, onze Nepalese assistent-gids. Windstil, min tien, maar het voelde niet koud. Voor ons zagen we de lampjes van andere klimmers. Langzaam werd het lichter. Een makkelijke klim, al was het verdorie toch stevig. De zon kwam op, recht in ons gezicht. De top van de Gokyo Ri is een wat slordige dubbeltop vol vlaggetjes, en toen de zon hoog genoeg stond, zagen we alles: de gletsjers, de Everest. Wolkenloos, windstil. Heerlijk om daar te zijn. Na een uurtje afdalen stond ik weer aan de lodge, klaar voor mijn apple pancake.

Na het ontbijt trokken we met de hele groep naar de rand van de gletsjer. Even klimmen en dan recht naar beneden, heel steil — voor sommigen was die afdaling moeilijk. De gletsjer is volledig bedekt met puin, zand en rotsen; hier en daar een smeltwatermeertje en een stuk ijs. Je kunt hem makkelijk overschouwen, maar hem oversteken — amai, wat een belevenis. Twee uur hebben we erover gedaan. Aan de overkant kwamen we er gelukkig makkelijker uit dan erin.

In Gokyo had ik twee nachten de kamer gedeeld met Bart; nu lig ik weer alleen. Maar ik slaap slecht op deze hoogte: om negen uur in slaap, om drie uur wakker.

Woensdag, 20 november

Weer een crazy day. Om half zes vertrokken met de hoofdlamp, in een ijskoude kloof langs de rivier. Min tien, min vijftien, ik weet het niet — iedereen had het koud, ook met donsjas aan. Na een kleine col zagen we de zon voor het eerst, en in de verte de grote pas van de dag: de Cho La (la betekent pas).

Een stevige klim over los steenpuin met hier en daar ijs. Ik ging vooraan en was een half uur eerder boven dan de rest. Boven volle zon. Voor sommigen was het afzien, maar Tom bleef bij wie het moeilijk had, en uiteindelijk heeft iedereen het gehaald. Op de pas genoten we van de zon, en dan met spikes onder de schoenen over een klein stuk gletsjer — eerst heel steil, dan vlak. Niet gevaarlijk, geen spleten.

Daarna nog “maar” drie kilometer naar de lodge. Maar wat voor drie kilometer. Na een bocht opende zich een gigantische vallei, met de Ama Dablam en de Cholatse — knallers van bergen, helemaal besneeuwd in de volle zon. Het was als afdalen in een film. De dimensies hier zijn buitengewoon.

Wat me opvalt: veel van de bergervaring — het stappen op de stenen, de geluiden, de beekjes, het verdorde gras, de kleuren, de wanden en de lagere toppen — lijkt heel goed op wat ik gewend ben in de Pyreneeën. Maar als je je hoofd draait en naar boven kijkt, zie je die gigantische reuzen. Dat witte theater van eeuwige sneeuw en ijs. Die combinatie is uniek. Dit wordt zeker mijn mooiste bergwandeling ooit.

Dzongla is een paar krakkemikkige lodges, rook uit elke schouw, iedereen rond de kachel in het midden van de zaal. Rudimentaire toiletten. Sherpa’s lopen voorbij met muziekboxjes — niet mijn ding, maar zij zijn hier thuis. De Ama Dablam kleurt in de avondzon, door een gat in de wolken.

Ik heb besloten te stoppen met foto’s sorteren en even met Instagram: te veel indrukken overdag, en ‘s avonds nog eens alles herbeleven is te veel. En vanavond: spaghetti. Ik kan geen rijst meer zien. Ik dacht dat ik de dal bhat zou volhouden, maar ik geef op. Tom houdt vol.

Ik ben ook wat verkouden en moe. Dat is normaal: we zijn tien dagen weg, nooit rust, altijd een nieuw avontuur. Je staat constant een beetje onder spanning.

Ama Dablam vanaf Dzongla.

Donderdag, 21 november

We sliepen uit in Dzongla en genoten van de zon. Een heel aangename dame in de lodge. Ik zette een keer het draagsysteem van een van onze dragers op mijn hoofd — ik voelde het meteen in mijn nek.

Langs het meer aan de voet van de Cholatse, een machtige berg bij een machtig meer, en dan links de grote vallei in richting Lobuche, Everest Base Camp en Kala Patthar. Aan de overkant zagen we de mensen op de “autostrade” lopen, de Coca-Colaroute tussen Base Camp en Namche. Ik was wat verkouden en moe. Gelukkig was het een makkelijk slenterpad, niet spectaculair; het spectaculaire lag achter ons.

In Lobuche trok alles dicht en werd de geplande wandeling naar een weerstation afgelast. Rakesh nam ons wel mee naar de rand van de gletsjer, en daar kregen we toch nog een bijzonder zicht: in de verte, in de zon, de Khumbu-ijsval van de Everest. Een drukke lodge; ik at een kipburger, en die smaakte vreemd lekker.

Het is ijskoud, ook in de kamers. Mijn vingers en lippen bevriezen van mijn iPhone vast te houden.

Vrijdag, 22 november

Een rustige wandeling over een breed, druk pad naar Gorak Shep, een lodge vol vlaggen van mensen die hier voor ons waren. Na de lunch met de groep naar Everest Base Camp. Ik liep voorop en was er als eerste, samen met een van de dragers, en wachtte op de rest voor groepsfoto’s. Prachtig zicht op de gletsjers, maar verder valt er weinig te zien: een rots met wat graffiti. Niet het meest indrukwekkende punt van de tocht — je hebt de gletsjer en de top van de Everest de hele weg al in zicht.

Ik besloot met de drager heel snel terug te lopen naar Gorak Shep; we hebben echt geracet. Het plan was om daarna nog de Kala Patthar te doen, maar er kwamen wolken opzetten, dus ik zei: morgen vroeg. Ik was afgepeigerd en lag te trillen in bed.

Toen scheen opeens de zon in mijn kamer. Ik keek naar buiten, zag de Kala Patthar liggen en dacht: kom op, we zijn hier nu. Schoenen aan, slokje water, en om half zes vertrokken. Het pad is niet moeilijk, maar door de hoogte en de vermoeidheid puffte ik bij elke stap en ging mijn hart tekeer. De zon zakte, de kleuren op de Lhotse werden mooier en mooier, de Everest kwam in zicht. De wolken zakten en ik klom langzaam boven een inversie uit die Gorak Shep bedekte. Over een valse top en grote rotsblokken bereikte ik net op tijd de top, toen de zon onderging. Er zat nog veel volk, onder wie een Belg van 24 en een Canadees. Duizend foto’s. Magnifiek.

Toen de zon weg was, werd het snel koud; mijn vingertoppen bevroren. Met die jonge Belg daalde ik snel af, het inversiedek in, de mist en de kou in. Na 45 minuten was ik terug. De groep zat al te wachten op het avondeten toen ik in het donker binnenkwam met mijn hoofdlamp, blij als een kind. De mooiste inversie die ik ooit in de bergen heb gezien.

De volgende ochtend vertrok de groep om vijf uur naar de Kala Patthar. Ik bleef in bed met een podcast; mijn foto’s van gisteren waren te mooi om het nog eens te doen. Alle hoogtepunten van deze reis heb ik met mooi weer kunnen meemaken. Perfect, zoals ik het wou.

De beklimming van de Kala Patthar (5606m) bij valavond op 22 november 2024 was er een uit de boekjes. Een onvergetelijke ervaring die ik zal koesteren tot het eind van mijn dagen. Van links naar rechts: Nuptse, Everest, Lhotse. Het Everest Base Camp ligt aan het einde van de gletsjer (de beruchte Khumbu Ice Falls).

Zaterdag, 23 november

Bart en Jan beklommen ‘s ochtends nog de Kala Patthar; de rest ontbeet samen rond negen uur. Dan langs de Khumbu-gletsjer terug naar Lobuche, op het drukste stuk van de hele route — Base Camp is hyperpopulair.

Na Lobuche over de Thukla-pas, niet hoog, maar vol gedenkstenen en plaatjes voor verongelukte klimmers. Vlagjes, foto’s, gedenktekens. Een beklijvende plek, en ook daar veel volk. In Thukla aten we, en dan de rivier over en naar beneden, de reuzevallei in naar Pheriche, een verzameling lodges in een brede vallei.

We zakten zo’n duizend meter, en dat zag je aan wie last had van de hoogte: ze kregen weer kleur, weer goesting. Ik heb er zelf geen last van gehad.

Ik begin te verlangen naar huis. Het is nog altijd prachtig, maar het mag nu wel genoeg zijn. Ik ben heel content dat ik op de hoge stukken zo’n mooi weer heb gehad.

Mens en dier nemen opnieuw de regie in handen na de ijle hoogtes boven 5000m. Iedereen kan terug ademen. En op de kamers is het nu maar -8 graden i.p.v. -20. 🤪

Zondag, 24 november

De kousen waren bevroren in de kamer. Muesli met warme melk, zoals altijd, en dan over een hangbrug door een open berglandschap, met de Everest en de Ama Dablam nog in zicht en een rivier met steeds meer water.

Rond de middag vonden we in Pangboche een prachtig terrasje in de zon. Aardappel met ei. We zaten er anderhalf uur, want de vrouw des huizes deed alles alleen. Er staat een van de oudste kloosters van de streek, een mooi gebouwtje in typische kleuren. Niemand anders, rust, zon. Echt vakantie.

Daarna zigzagpaadjes langs beschilderde stenen, boeddhabeeldjes en de ene stoepa na de andere, een grote hangbrug met het klassieke zicht op de Ama Dablam, en dan een bebost stuk met rododendrons, naaldbomen en verspreide huisjes. Een beetje Efteling-gevoel. Een kort, steil klimmetje naar Tengboche, op een heuveltop met een gekleurd portaal en zicht rondom op de bergen. Een verrassende dag.

In Tengboche wachtte ons een verrassing: appeltaart en een fantastische koffie van een echte barista. Na al die ontberingen! Een half uur later begon de dienst in het klooster, maar er kwam zo goed als geen monnik opdagen. Eén man die zat te reciteren. Na twintig minuten ben ik vertrokken. Buiten liepen een hoop kleine monnikjes van een jaar of zes, zeven.

Ik heb De Toverberg van Thomas Mann gedownload, naar aanleiding van een artikel, en me kostelijk geamuseerd met het eerste hoofdstuk.

Maandag, 25 november

Vanuit Tengboche afdalen naar de rivier over een druk pad vol jaks, een theetje, en dan weer klimmen. Onderweg, op een mooi terras, kocht ik een paar kettinkjes voor Marylou. Ze zag ze wel zitten.

Khumjung is een redelijk groot dorp met meer comfort: stromend water, vaste elektriciteit. Ik kocht een donkergroene muts voor zes euro. We bezochten het museum op het schooldomein, waar net klasjes bezig waren. In het eerste schoolgebouw hebben ze een museum ingericht over Edmund Hillary, met een leerrijke film over wat die man voor de streek betekend heeft. Dal bhat met echte honger, en acht uur goed geslapen.

Dinsdag, 26 november

Zon. Over de Khumjung La, een pas die aanvoelt als een aangelegde tuin: oude dennen, heuvels, de Ama Dablam en de Everest nog in zicht, en Khumjung onder de heilige berg. We kwamen een meisje tegen dat haar vriendjes ging halen in Namche en Engels sprak met haar leerkracht. Wat ze later wil worden? Dokter.

Aan de andere kant daalden we af naar een afvalcentrum, waar we uitleg kregen over afvalbeheer in de Khumbu. Ze maken er Everest-replica’s uit 38 flessendoppen. Het mooiste gebouw van de regio, prachtig gelegen net boven Namche.

In Namche kocht ik dan toch de schilderijen, voor Elise en mij. Ik vond ze prachtig. Met Tom ook een donsvestje van het merk Sherpa voor 60 euro; ik heb het meteen aangetrokken, al is het niet bijster warm.

Dan de lange afdaling: de beroemde hangbrug over, langs de rivier, en urenlang slenteren langs de huisjes en boerderijtjes die we op de heenweg al hadden gezien. Om vijf uur kwamen we aan in Phakding. ’s Avonds met de hele bende pintjes gedronken — meer dan één — en door dat bier natuurlijk slecht geslapen. ’s Ochtends zat iedereen samen gezellig te hoesten.

Woensdag, 27 november

Laatste bergontbijt. Nog twee uur slenteren langs lodges, paardjes met lasten, hondjes en winkeltjes, de Khumbu-vallei uit, naar Lukla. Daar in de bakkerij bij het vliegveld een heerlijk stuk cake, en dan wachten. En wachten. Er was sprake van een vlucht om twaalf uur; het werd twee uur, terwijl de wolken optrokken en we het koud kregen. Zo gaat dat met die vliegtuigjes.

Het vliegveld van Lukla helt naar beneden: het is echt van een schans springen. De vlucht viel mee. We vlogen laag over de veldjes, huisjes op de heuveltoppen en bossen die nog groen waren, terwijl boven de bladeren al gevallen zijn.

In Manthali stapten we uit in een andere wereld: warme, bijna tropische lucht. Meteen jassen en mutsen uit. Dan dezelfde helse rit naar Kathmandu. Door de vloed van dit voorjaar is de weg voor zeventig procent weggespoeld. Gigantische betonblokken liggen als legoblokjes in de modder, elektriciteitskabels liggen op de grond en hangen met bamboestokjes over de daken. Een stuk asfalt, en een kilometer later duik je de weg af, over stenen, hobbel de bobbel. Geen signalisatie, vrachtwagens die op je af komen, en toch persen ze er naast elkaar door. Vijftig jaar aan gebouwd en na één storm alles weg. Een enorme opdracht voor dit land.

We stopten opnieuw in de Momo Factory. Ik at dal bhat, de anderen gefrituurde momo’s met barbecuesaus, en ik mocht proeven bij Stijn en Bart. Heerlijk Nepalees fastfood. Ik nam er een mooie foto van Rakesh en Lucky.

En dan het hotel in Kathmandu. Wat een cultuurschok: een prachtige kamer voor mij alleen, een tandenborsteltje, een handdoek, een mooi opgemaakt bed, en een regendouche. Wauw.

Rakesh and Lucky, our trusty mountain guides, eating Dal Bhat (the no.1 Nepali national dish) in the traditional manner (using only their hands). Thank you so much for your kind and patient attention. I will cherish the memories we’ll be sharing for a long time to come.

Donderdag, 28 november

Een vegetarisch English breakfast met worteltjes, paddenstoelen en halloumi, en eindelijk een lekkere cappuccino. Met Tom en Stijn liep ik naar het pleintje naast het hotel, met typische tempels, waar ik samen met Tom een mooie klankschaal kocht. Terug in het hotel gaven we de crampons af aan Rakesh.

Dan een uur door helse traffic naar Bhaktapur, een soort tweede stad — zoals De Pinte naast Gent — van de Newari-gemeenschap, met historische gebouwen. Een gids nam ons mee door de straatjes, langs ateliers waar ze houtsnijwerk maken in eiken balken. Tot op de millimeter: oogleden, vingertjes, de plooien van de kledij. Onvoorstelbaar. Rijke mensen uit Kathmandu laten hun huizen ermee uitrusten. Het zijn de middeleeuwse houtsnijders van bij ons, maar dan nog altijd actief. We proefden zoetigheden en koekjes die mensen op straat stonden te frituren, spotgoedkoop, en aten op een plein een pad thai.

Daarna bezochten we een kunstschool waar ze thangka’s maken, de boeddhistische schilderijen zoals ik er in Namche twee had gekocht. Ze rolden werken uit waar meesters jaren aan gewerkt hadden. Sommige hebben drieduizend figuurtjes, elk met een eigen uitdrukking en eigen handgebaren. Magnifiek.

En toen werd me duidelijk dat mijn schilderijen uit Namche geen echt handwerk zijn en dat ik er veel te veel voor betaald heb. Een les: koop zulke dingen bij een school of atelier, niet bij de eerste de beste handelaar. Ik vind ze nog altijd mooi, maar het blijft een beetje zuur.

Bij het afscheid bedankte het lokale agentschap ons en Wonderways: ze hadden deze route, met Thame, Lungden en de oversteek naar Gokyo in plaats van heen en terug, bewust uitgekozen om meer dorpen te laten meeprofiteren van het toerisme en om de streek dieper te beleven. Als bedankje kregen we elk een zakje vers gebrande koffie, rechtstreeks van de boer. “Not from a supermarket, I promise you.”

Nu lig ik in bed, de tweede avond in het hotel, en hoor ik buiten de geluiden van Kathmandu.