De zes strijkkwartetten van Bartók


Waarom blijft de muziek van Bartók me zo boeien? Ik ken zijn strijkkwartetten nu zo’n vier jaar. Er gaat sindsdien geen seizoen voorbij zonder dat ik zijn bevreemdende klankwereld eens opzoek. Dat doe ik meestal wanneer ik het huis voor mezelf heb, of nog beter: in de auto, bij valavond of ‘s nachts. Julie wordt knettergek van modern klassiek in huis. Ik neem het haar niet kwalijk.

Bartóks strijkkwartetten zijn revolutionair, geniaal. Minstens zo sterk als die van Beethoven. Zo anders dan alles wat voor hem was en na hem zou komen. Elk kwartet, elke beweging is doorspekt met grillige vormen, schimmen, kleuren en klanken uit bizarre werelden waarvan we het bestaan niet vermoedden. Die wervelwind aan patronen vormen een abstract weefsel dat organisch beweegt, als een schaduw die kan ademen, dreigen en dansen.

Bartók breekt met conventies en gewoontes om met de brokstukken iets nieuws te creëren op de fundamenten van het verleden. Er is amper melodie, geen refrein, geen thema. Geen enkele noot komt een tweede maal onveranderd terug. Toch schuilt er structuur, orde en dialoog in de muziek, meer dan je na enkele keren luisteren zou vermoeden. Dat is meteen ook de reden waarom deze muziek nooit verveelt: er valt altijd wel iets nieuws te ontdekken. Het is een puzzel met zoveel stukjes, in zoveel lagen… en ik heb de onderste nog lang niet bereikt. Een mens kan zich erg klein, nietig en vergankelijk voelen tijdens het beluisteren van de zes.

Dat de zes — gedurende een tijdsbestek van drie decennia ontstane strijkkwartetten van Bartók — een van de belangrijkste bijdragen aan de Westerse muziek vormen, staat al tijden vast. Ze omspannen zijn hele creatieve leven. Het eerste kwartet dateert uit 1908, het tweede uit 1917, het derde uit 1927, het vierde uit 1928, het vijfde uit 1934 en het zesde uit 1938. Net als Beethoven en Sjostakovitsj vertaalde Bartók zijn diepste en persoonlijkste gevoelens in zijn strijkkwartetten, en elk stuk van dit zestal is meteen een zuiver distillaat van zijn ervaringen op het gebied van de volksmuziek. Het middelste tweetal bevat de minst toegankelijke muziek, maar mede daardoor vormen ze de grootste uitdaging om te beluisteren. Het derde is een korte, heel geconcentreerde studie in expressionisme aan de grens van de atonaliteit.

Hoewel Bartók zelf geen strijkinstrument bespeelde, wist hij een verrassende verscheidenheid aan beklemmende en geheimzinnige klanken voor te toveren; deze culmineren in de felle, catharsis brengende finale. De onderdelen van de eendelige structuur van het derde kwartet vormen een palindroom, en dat patroon wordt voortgezet in het vierde kwartet, dat uitgebreider is en minder introspectief van aard. Het middendeel is weer zo’n typische nachtmuziek, vol wilde natuurgeluiden — ruisende bomen, vogelzang en krioelende insecten. Dit deel wordt gevolgd door een kort scherzo dat uitsluitend pizzicati laat horen. De finale, met zijn tomeloze vaart en dissonante karakter, is een van de merkwaardigste stukken uit de hele kwartetliteratuur. De vier omringende kwartetten zijn een stuk toegankelijker.

Bron: Actueel nieuws uit de wereld van audio, muziek en video, Jan de Kruijff, december 2006.

Mijn eerste contact met Bartóks strijkkwartetten (SQ’s) dateert van februari 2004, via een Klara-opname van het Oostenrijkse Hagen Quartet. De critici waren vol lof. Ik begreep er geen snars van. Desalniettemin kocht ik de cd met de integrale opnames. Kwartet na kwartet ploegde ik me erdoorheen, tot ik na een maand of drie — ik ben een muzikale diesel — het plaatje begon te snappen. Het was voor mij het begin van een lange ontdekkingsreis langs Janáček, Ligeti, Sjostakovitsj, Hartmann, Hindemith en vele anderen.

Lange tijd heb ik de opname van het Hagen Quartet als superieur ervaren, de gouden standaard waaraan iedereen zich diende te meten. Ik was blij dat zelfs Jan de Kruijff het daarmee eens was, of toch bijna — tot de naam van een zekere meneer Zehetmair met zijn gelijknamig kwartet opdook in tal van internationale prijsuitreikingen en cd-besprekingen. In tegenstelling tot de Hagens brengt het Zehetmair Quartet Bartóks strijkkwartetten fragmentair uit: elk op een aparte cd, met enkele jaren ertussen, telkens aangevuld met een kwartet van een andere componist (tot nu toe Hartmann en Hindemith).

Het is vreemd dat eenzelfde werk zo anders kan klinken wanneer het door verschillende uitvoerders wordt gebracht. Het verschil zit uiteindelijk slechts in tempo, ritme, klankkleur en wat accenten hier en daar, en toch lijkt het soms alsof je naar andere muziek zit te luisteren. De uitvoeringen van de Zehetmairs hebben in mijn hoofd moeten opboksen tegen het ideaalbeeld van de Hagens, maar dat is ze na veelvuldige luistersessies toch gelukt. In het begin lijken hun uitvoeringen minder gearticuleerd, haastig en slordig, maar na een tijd begin je de dynamiek en de energie te voelen die van het samenspel uitgaat. Ik zag ze ooit live aan het werk in De Bijloke (geen Bartók, maar het laatste kwartet van Beethoven en eentje van Hindemith dat ook op een van hun cd’s staat). De altviool ging toen zodanig tekeer dat het microfoontje dat op haar instrument bevestigd was eraf sprong.

Ik beveel de lezer hoe dan ook eender welke uitvoering van harte aan.